Op de hoek van de straat waar ik stond te wachten zat een café. Op het terras zaten zes vrienden die bijna allemaal uit een ander werelddeel leken te komen, waarbij Europa dubbel en Oceanië niet vertegenwoordigd was.
Ze maakten veel lawaai, praatten met luide stem en hadden zichtbaar al veel van de halve liters bier op die net weer gevuld voor hen waren neergezet. Ze waren duidelijk irritant, en riepen voorbijgangers na. Ik zou net iets naar mijn hoofd geslingerd gekregen hebben, als niet net op dat moment een man en een klein meisje waren langsgelopen.
Het meisje had een roze jurkje aan en een roze elastiekje in haar haar. Ze was een jaar of vijf en liep parmantig over de stoep, al trekkend aan een riem met aan het uiteinde een zwarte, heel jonge puppy. Het beestje wilde liever niet lopen en liet zich met het hoofdje hangend meeslepen zonder zelf een stap te zetten, en veerde daarbij af en toe van de grond op.
Op het moment dat ze ter hoogte van de groep jongeren waren, spartelde de puppy tegen en bleef stil staan. Hij snuffelde aan de tas van de jongen die ik net had ingedeeld bij het Afrikaanse continent en zette zichzelf vervolgens zonder blikken of blozen in de poephouding. Voor de vader van het meisje het in de gaten had, lag er half op en half naast de tas een stroompje poep met een samenstelling waaruit voor een leek te concluderen viel dat het hondje extra romige pindakaas vermengd met water te eten had gekregen.
Het was even stil aan de tafel op het terras. Het roze meisje begon uit schaamte te grinniken en trok wat harder, en zonder resultaat, aan de riem. De vader van het meisje krapte zich op het hoofd en mompelde iets om zijn excuses te maken. Van de tafel verwachtte ik een uitbarsting, een schadeclaim, een rekening voor de stomerij en een hoop gescheld, maar de jongen zei liefdevol tegen het meisje: "Dat arme beestje is ziek! Dit is diarree! Zit er niet over in, daar kan hij toch ook niets aan doen!", en begon het hondje enthousiast te knuffelen.
Jek. Honden en mensen, blijf het raar vinden.