"Wat DOE je?"
Het jongetje kwam naast me staan.
"Ik maak een sneeuwpop", zei ik.
"Hoe dan?"
"Ik heb geen tijd", zei ik. "Ik ben eigenlijk aan het werk, maar ik wilde toch een sneeuwpop maken."

"Jongens, kom eens kijken!", riep het jongetje. "Zij maakt een sneeuwpop voor luie mensen!"
Diverse schoolkinderen kwamen op mijn kunstwerk afgerend.
Ze keken er een seconde naar.
"Oh", zeiden ze.
En vervolgens werd ik bekogeld met een heleboel sneeuwballen.

* Of ik voor één dagje op en neer meewilde naar Düsseldorf om naar een tentoonstelling te gaan. Malle ep, die vriendin C., dacht ik nog. Maar bleek een uitstekend idee. Sehr gut.

* Andreas Gursky, een Duitser. Das Werk steht innerhalb der zeitgenössischen Fotografie für eine Neubewertung des Realismus durch die konzeptuelle Inszenierung bzw. Bildmontage mit den Mitteln digitaler Technologie.
* Blijf verbaasd over hoe slecht mijn Duits is. Verstaan gaat nog wel, maar spreken blijkt onmogelijk. Tragisch.

* Het werk van Gursky is zeer de moeite waard! Fascinerend, zeker in het echt - de plaatjes van zijn werk op internet halen precies alles weg wat zijn werk nu juist zo indrukwekkend maakt. We mochten geen foto's maken van de foto's en dat is eigenlijk maar goed ook. Gaat zijn werk dus zelf maar bekijken. De tentoonstelling is verlängert tot 3 februari.
* Het is me een raadsel waarom de pizza het wereldwijd zo ver heeft geschopt en de Flammkuchen de Nederlandse grens niet eens over is gekomen. Ik roep 2013 uit tot het jaar van de Flammkuchen.
* Wat een vrolijke, aardige en grappige mensen zijn die Duitsers!
* Ik ben nooit in Duitsland. Alleen vaak in Berlijn. Goed voornemen voor 2013: meer naar Duitsland. Toll!
* De heenweg duurde 2,15 uur. De terugweg 3. Twee leerdoelen: 1. mijn topografische kennis van Duitsland opschroeven en 2. voortaan ook voor de terugweg de routebeschrijving meenemen (of: TomTom aanschaffen)
* Ik dacht dat we voor de Kunst gingen, maar ik denk eigenlijk dat deze onderneming bedoeld was om te testen of de nieuwe auto van vriendin C. de 180 km per uur zou halen. Zonder problemen.

Een van de vele hoogtepunten van oud en nieuw was mijn ik mag wel zeggen perfecte imitatie van stier Herman.
Het enige dieptepunt was dat mijn teamleden het niet raadden.
Het was 4.30 uur ‘s ochtends en ik wist dat oud en nieuw niet veel beter wordt dan zo.
Drank en spelletjes en fijne mensen. Ver weg van de bewoonde wereld.
Ik wens u allen een zeer goed 2013!


Jarenlang bracht mijn fiets me overal waar ik moest zijn. Regen, storm, ijs of sneeuw? Mijn tweewieler en ik deden het samen. Bikkels, wij! Automobilisten? Dat waren luie, vaak te dikke, milieubelastende aso’s en een gevaar voor fietsers bovendien.
Nu heb ik mijn eerste auto gekocht en, ai, ik vind het leuk. Het is een cabriolet, dus met een beetje fantasie en het dak open, is het net een fiets (wind door je haren, meezingen, versnellingen). Een cabrio maakt gekke dingen bij de mensen los. “Als je bij het stoplicht staat, krijg je soms een middelvinger”, zei de verkoper lachend, alsof dat mij zou overhalen tot de koop. En toen ik een foto van het oude beestje op Facebook zette, buitelde iedereen van enthousiasme over elkaar heen. Kom daar maar eens om met mijn prachtig gekleurde stadsfiets. Of mijn ov-chipkaart met automatisch opladen. Niemand die daar van in katzwijm valt. En nu? Applaus! Ooh’s en aah’s. En in plaats van de vinger heb ik meer flirtende blikken gezien dan in al die jaren treinreizen.
Ik moet (het is een glijdende schaal, hoe kom ik hier ooit weer uit? Ik ben zelfs al met de auto naar mijn werk geweest en het bleek sneller en goedkoper, dat moet niet kunnen mogen!) oppassen niet zelf te verworden tot die luie, vaak te dikke, milieubelastende aso.
Een gevaar voor fietsers ben ik echter niet. De fietsers, merk ik nu, zijn een gevaar voor mij. Ze gooien hun tweewieler zonder verlichting voor mijn motorkap en geven mij de schuld, negeren elke stoplicht, vinden dat ze altijd voorrang hebben en maken liever hun telefoongesprek af dan om te kijken.
Laatst fietste ik door de stad. “Ik haat automobilisten!”, riep een meisje achter me. Even ervoor was ze dronken uit een zijstraat komen fietsen, had zich te laat gerealiseerd dat ze naar rechts wilde, zag mij toen pas op mijn fiets aankomen, waardoor ik moest uitwijken en er een auto hard op de rem moest. Nu moest ze even wachten voor een auto voor een stoplicht. Geïrriteerd vervolgde ze haar weg fietsend over de stoep.
Het klinkt vreemd uit mijn mond, maar ik denk dat we elke stadsfietser verplicht een tijdje auto moeten laten rijden.
--
(Deze column verscheen eerder in De Vogelvrije Fietser, het blad van de Fietsersbond)
"Dan breng ík je!", riep ik vol enthousiasme.
Mijn vader moest in zijn eentje naar het ziekenhuis, waar hij een nieuwe schouder zou krijgen. Door omstandigheden kon mijn stiefmoeder hem niet brengen.
Dit was mijn kans om iets terug te doen voor al die keren dat hij mij met gebroken of gescheurde lichaamsdelen naar het ziekenhuis had vervoerd.
“Dan blijf ik ook wachten tijdens alle onderzoeken”, zei ik. Want ik weet hoe fijn het is het als er iemand in het ziekenhuis op je wacht.
"Maar zo lang kan de auto daar niet blijven staan”, zei mijn vader.
"Dan gaan we op de fiets!”, riep ik. “Ik neem je achterop.”
Hij bezag zijn opties, en we besloten dat het een goed plan was.
De dag van de ziekenhuisopname brak aan.
Ik voelde het belang op mijn nog jonge, stevige schouders rusten. Ik, goede dochter, zou dit perfect gaan doen. Samen naar het ziekenhuis, op één fiets, het had iets vreemds en daarom iets moois.
Onderweg naar mijn vader moest ik nog even iemand bellen. Ik hing mijn tas aan het stuur, maakte vaart en pakte mijn telefoon.
“Met mij”, zei ik.
En toen gebeurde het. Het hengsel van mijn tas kwam vast te zitten onder mijn pedaal. De ketting blokkeerde. Mijn fiets stond stil, en ik ging nog vooruit. De telefoon vloog als eerste door de lucht, erachteraan kwam ik. Eerst vliegend, toen duikend, toen schuivend.
Vlammende pijn in mijn been, arm en gezicht. Tranen in mijn ogen. Niet alleen vanwege de pijn, maar ook vanwege het onmiddellijke besef dat ik mijn vader liet vallen.
Een uur later werd ik binnengebracht op de eerste hulp.
Op de röntgenafdeling zag ik tot mijn grote blijdschap mijn vader zitten.
“Ha!”, zei hij vrolijk. “Zijn we er toch allebei gekomen. Jij op vier wielen, ik te voet.”
--
(deze column verscheen eerder in Vogelvrije Fietser, het blad van de Fietsersbond)
"Schrap alle overbodige dingen, maak 'm zo klein mogelijk en stuur 'm op naar Het Parool of NRC Handelsblad", zeg ik wel eens tegen de cursisten van mijn workshop Columns en Blogs bij [De Redactie].
Vorige week maandag gaf ik de workshop weer, en wie schetst mijn verbazing?
Twee van de deelnemers haalden de krant.
Superleuk!
(en ja, die naam van het meisje uit de column van Miriam is gefingeerd)


Door diepe dalen ging ik.
Door regen.
Door zon.
Over toppen heen.
En altijd zijn er de stickers op de lantaarnpalen die me laten glimlachen.
Plakkers bedankt!



« Vorige Pagina |
Toon berichten 9-16 van 2891 |
Volgende Pagina »